De termen van de golfsport

De golfsport is een technische sport met eigen termen en uitdrukkingen die je moet kennen. Daarom vind je hier een verklarende woordenlijst met de verschillende uitdrukkingen die typisch zijn voor de golfsport.

De clubs en het materiaal Bovenaan de pagina

Hieronder vind je de verschillende benamingen voor de soorten clubs, de onderdelen van een club en het materiaal.


De verschillende soorten golfclubs:


DRIVER: De driver of wood 1 is de club waarmee je afslaat.


WOOD: Woods worden over het algemeen gebruikt voor lange slagen vanaf de hole of op de fairway.


HYBRIDES: Een hybride club houdt het midden tussen een iron en een wood. Ze zijn gemakkelijker om mee te spelen en vervangen de weinig tolerante lange irons (iron 1, 2, 3).


IRONS: Dit zijn clubs waarmee je meestal minder ver slaat dan met een wood, ze worden gebruikt voor de approach in de richting van de green. Over het algemeen kun je allerlei soorten slagen maken met de irons.


WEDGE: Deze golfclub wordt in hoofdzaak gebruikt voor approach slagen of om uit een bunker te geraken. Je slaat er niet ver maar wel hoog mee.


PUTTER: Dit zijn golfclubs die op de green worden gebruikt, om de bal in de hole te slaan.


De onderdelen van een golfclub:


SHAFT: Steel van een golfclub.


GRIP: Antislip element dat op de shaft is aangebracht en ervoor zorgt dat je de golfclub goed kunt vastnemen. De term wordt ook gebruikt om de positie van de handen op de golfclub aan te duiden.


SLAGVLAK VAN DE CLUB: Het gedeelte van het clubhoofd dat in contact komt met de bal wanneer je slaat.


ZOOL: Deel van het clubhoofd dat in contact komt met de grond wanneer je slaat.


OVERSIZED HOOFD: Wanneer het clubhoofd groter is dan gemiddeld.


LIE: De hoek die wordt gevormd door de shaft en de grond.


LOFT: Opening van het slagvlak van de golfclub ten opzichte van de grond.


OFFSET: Wanneer het slagvlak van de club niet in één lijn ligt met de shaft.


INSERT: De insert is een materiaal dat kan zijn aangebracht op het contactvlak om het contact met de bal zachter te maken. Vooral op putters vinden we een insert terug.


HEEL: Uiteinde van het slagvlak van de club aan de kant waar de shaft zit.


TOLERANT: Wordt gezegd van een golfclub die zorgt voor een optimaal baltraject ook wanneer je niet goed hebt gecentreerd bij het slaan.


SWEET SPOT: Ideale plek om te slaan op het slagvlak van de club.


HOSEL: Deel van het clubhoofd waar de shaft aan bevestigd is.


Het materiaal:


TEE: Klein houdertje in plastic of in hout dat wordt gebruikt om de bal bij het afslaan iets hoger te leggen.


TROLLEY: Wordt gebruikt om de tassen met materiaal te vervoeren.


PITCHFORK: Hulpmiddel om de grond weer op te vullen daar waar de bal een gat heeft gemaakt in de green.


BALMARKER: Hulpmiddel om de bal te herkennen.


KOKERTAS: Tas om de golfclubs in op te bergen.

De trajecten, slagen, effecten Bovenaan de pagina

Hieronder vind je de termen voor de slagen, trajecten en effecten.


De slagen:


APPROACH: Slag bedoeld om de bal op de green rechtstreeks naar de hole te slaan.


HOLE IN ONE: Wanneer je de bal met één enkele slag in de hole kunt slaan.


De trajecten en effecten:


TRAJECT: Manier waarop de golfbal vliegt, balvlucht.


DRAW: Effect dat aan de bal wordt gegeven om de bal van rechts naar links te doen vliegen bij rechtshandigen, en andersom bij linkshandigen.


FADE: Effect dat aan de bal wordt gegeven om de bal van links naar rechts te doen gaan bij rechtshandigen, en andersom bij linkshandigen.


HOOK: Effect dat aan de bal wordt gegeven zodat deze naar links draait op het eind van de balvlucht, en naar rechts voor linkshandigen.


SLICE: Effect dat aan de bal wordt gegeven zodat deze naar rechts draait op het eind van de balvlucht, en naar links voor linkshandigen.

Anders dan een fade of een draw zijn een hook en een slice vaak onbedoelde en ongewenste effecten.


LOB: Hoge balvlucht die tot gevolg heeft dat de bal maar een heel klein stukje voortrolt wanneer hij op de grond landt.


PUTT: Slag waarbij de bal laag wordt gehouden, zodat hij de afstand tot de hole rollend aflegt.


SPIN: Effect waardoor de bal gaat ronddraaien.
Er zijn vier belangrijke soorten effecten die de speler kan proberen meegeven: de topspin bestaat erin dat de bal naar voren draait, bij de backspin draait de bal naar achteren, bij de side-spin naar opzij, met de klok mee of tegen de klok in.

De speler Bovenaan de pagina

Hieronder vind je uitdrukkingen die de positie en bewegingen van de speler aangeven en de rangschikking van de spelers.


De positie en bewegingen van de speler


ADRESS: De houding die de speler moet aannemen om de bal te slaan


OPLIJNING: Positie van de speler ten opzichte van het mikpunt, het punt waar de bal heen moet.


STANCE: Plaats van de voeten bij het adresseren.


SWING: Beweging van het slaan met de golfclub.


Rangschikking


Voordat we het kunnen hebben over de rangschikking bij golf, moeten we de par uitleggen:

PAR: het aantal theoretische slagen dat nodig is om een hole (of een parcours) te spelen, bepaald door de lengte en de moeilijkheid van de hole of het parcours. De par van een hole ligt tussen 3 en 5, die van een  parcours meestal tussen 70 en 72.


HANDICAP: oude norm om een amateurgolfer te beoordelen, vandaag vervangen door de index


INDEX: niveau van de amateurspelers (vroeger handicap). De hoogste score is 53,5, dat is een speler die gemiddeld 3 slagen boven par kan spelen op een 18 hole-baan. Een speler met index 0 (er wordt gezegd dat hij scratch speelt) wordt verondersteld het aantal slagen van de "par" te kunnen spelen.


Naam van de resultaten volgens de meest courante pars:
BIRDIE: hole gespeeld één slag onder de par.


BOGEY: hole gespeeld één slag boven de par.


DOUBLE-BOGEY: hole gespeeld twee slagen boven de par.


TRIPLE-BOGEY: hole gespeeld drie slagen boven de par.


EAGLE: hole gespeeld twee slagen onder de par.


ALBATROS: hole gespeeld 3 slagen onder de par.